Paradox van de Pensioenwet

Ondernemingspensioenfondsen hebben verzuimd te voldoen aan de wettelijk geregelde informatieplicht ten opzichte van (ex-)werknemers.

Veel (ex-) werknemers hebben geen idee dat zij met de invoering van een nieuw type pensioenregeling grotendeels risicodragend zijn geworden voor het beleggings- en renterisico van tekorten die ontstaan als het ondernemingspensioenfonds onder de dekkingsgraad presteert. Mogelijk worden honderdduizenden (ex-)werknemers hierdoor gedupeerd. De meeste ondernemingspensioenfondsen hadden in het verleden een toegezegde pensioenregeling die was gebaseerd op een middel- of eindloonregeling. Bij een toegezegde pensioenregeling garandeert de werkgever een bepaalde pensioenuitkering aan de (ex-) werknemer en loopt de werkgever het risico van het rendement. Ontstaat een tekort, dan vult de werkgever dat aan. Sinds 1 januari 2005 gelden echter nieuwe verslagleggingregels voor ondernemingen. Volgens deze regels moeten verplichtingen voortvloeiend uit personeelsbeloningen, zoals pensioen, in de jaarrekening worden opgenomen. In geval van een toegezegde pensioenregeling moet een onderneming daarom op de balans een post opnemen voor de toekomstige pensioenverplichtingen. Tekorten, overschotten en winsten of verliezen in de pensioensfeer werken door in de jaarrekening. Dat kan leiden tot allerlei ongewenste effecten op de balans en de winst- en verliesrekening. Daarom zijn ondernemingen massaal overgestapt op een (collectieve) beschikbare premieregeling. Het belangrijkste argument daarvoor is dat met het betalen van de premie voor de onderneming de kous af is. De onderneming stelt een bepaalde premie beschikbaar, een vast bedrag zonder verdere verplichtingen, en loopt daarna geen enkel risico meer. De pensioenbijdrage wordt als een last in de verlies-en-winstrekening opgenomen. De onderneming voldoet daarmee keurig aan de nieuwe boekhoudvereisten. Het nadeel van de collectieve beschikbare premieregeling voor de (ex-)werknemers is dat actuariële resultaten, beleggingskosten, rente en inflatierisico voor hun rekening komen. De pensioenuitkeringen zijn daarmee uiterst onvoorspelbaar geworden en dit risico ligt bij de (ex-)werknemers. Wanneer een pensioenfonds onder de verplichte dekkingsgraad presteert, zal het fondsbestuur daarom trachten de tekorten gelijkelijk over de werknemers en de gepensioneerden te verdelen. Een heldere en transparante communicatie over deze risicoverschuiving was daarom van groot belang toen de (ex-)werknemers voor akkoord tekenden met deze regeling. Deze voorlichting heeft in veel gevallen echter niet tot nauwelijks plaatsgevonden. Dat is vreemd, omdat de Hoge Raad al in 2003 heeft uitgemaakt dat ondernemingen een uitdrukkelijke zorgplicht hebben als het gaat om voorlichting over pensioen aan hun werknemers. Deze problematiek was bij de parlementaire behandeling van de nieuwe Pensioenwet bekend. Echter, om onbegrijpelijke redenen is de collectieve beschikbare premieregeling niet in de nieuwe Pensioenwet opgenomen. Daarin is ten aanzien van de beschikbare alleen de individuele variant geregeld. Hierdoor ontstaat een interessante paradox tussen de doelstelling van de nieuwe Pensioenwet en de hier geschetste problematiek. Het is maar zeer de vraag of het politiek wenselijk is dat fondsbesturen eventuele tekorten gelijkelijk zullen omslaan over werknemers en gepensioneerden. Wij denken van niet. Een dergelijke korting heeft namelijk een absoluut en een relatief effect. De gepensioneerden zullen aan het einde van de maand feitelijk minder geld op de rekening krijgen bijgeschreven (absoluut effect) terwijl de werknemers minder pensioen opbouwen (relatief effect). Het is de vraag of de regeringspartijen dit absolute gevolg zullen accepteren vanwege electorale effecten. Het is realistischer te veronderstellen dat fondsbesturen - al dan niet onder Haagse druk - de pensioenopbouw van de werknemers niet of in mindere mate zullen indexeren om de gepensioneerden te kunnen ontzien. Is dat het geval, dan ontstaat voornoemde paradox . De actieve werknemers zullen de lasten van de gepensioneerden onevenredig dragen. Dit staat haaks op een van de doelstellingen van het toenmalige kabinet bij de invoering van de Pensioenwet, namelijk het ontlasten van de werknemers met het oog op de toenemende vergrijzing. De oplossing is wat ons betreft relatief eenvoudig. De Tweede Kamer zal middels een veegwet de (collectieve) beschikbare alsnog een wettelijke basis moeten geven, waarbij, indien het ondernemingsbelang dit rechtvaardigt, eenzijdig de pensioenregeling voor (ex-)werknemers kan worden aangepast. Harry Veenendaal en Theo Verhoeff zijn advocaten bij Kneppelhout & Korthals nv te Rotterdam.