De Anw-uitkering is bedoeld voor de nabestaanden van een overleden kostwinner. Dit kunnen zowel de achterblijvende partner als de kinderen zijn. De Algemene nabestaandenwet is sinds 1 juli 1996 de opvolger van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Met de wetswijziging is de groep die aanspraak kan maken op een uitkering beperkt, evenals de hoogte van de uitkering. Ook is de uitkering sindsdien inkomensafhankelijk.
De Anw voorziet voor de achterblijvende partner in een uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd. Hieraan zijn wel enkele voorwaarden verbonden. Zo is pas recht op een Anw-uitkering als de achterblijvende partner voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
Uiteraard zijn echtgenoten partners van elkaar. Maar ook de man of vrouw die tot op de dag van overlijden samenwoonde met de overleden partner wordt gezien als partner. In het kader van de Anw wordt je als samenwonend gezien wanneer je met één andere meerderjarige persoon een gezamenlijk huishouden hebt.
De hoogte van de Anw-uitkering is afhankelijk van eventuele overige inkomsten. Zo worden uitkeringen als WIA of WW volledig in mindering gebracht op de te ontvangen Anw-uitkering. Salaris, VUT en pensioen worden voor een deel in mindering gebracht. De maximale Anw-uitkering bedraagt € 13.476 per jaar.
Nabestaanden die 1 of meer (ongehuwde) kinderen onder de 18 verzorgen, krijgen een halfwezenuitkering. Ongeacht het aantal kinderen bedraagt deze uitkering € 3.285 per jaar.
De wezenuitkering is bedoeld voor volle wezen die jonger zijn dan 16 jaar. Onder bepaalde voorwaarden kan deze uitkering doorlopen tot maximaal de 21-jarige leeftijd.